|
| |
Onbenullige vragen
De ochtend nadat ik mijn laatste logje
had geschreven, werd ik ziek wakker. Buikgriep. Je weet wel, die griep waarbij
uit alle gaten van je lichaam wel iets vloeibaars komt. Ja bah. Nou had ik wel
verwacht dat ik wat beurs wakker zou worden, want de avond ervoor was ik op weg
naar een voorstelling van Guido
Wijers vreselijk oncharmant op m'n muil gegaan. Gedurende de show zat ik me
dan ook met een brandend scheenbeen en bijzonder pijnlijke knie te vergapen aan
de loensende blik van 's lands lekkerste cabaretier.
Gelukkig kreeg ik nog wel wat van zijn
tekst mee. Het was daarom bijna een wonder te noemen dat ik op de terugweg
zonder kleerscheuren de auto bereikte. Ik stond namelijk letterlijk te tollen op
mijn gehavende benen na te zijn blootgesteld aan de waterval van gedachten,
overpeinzingen, verwonderingen en woordgrapjes van deze ogenschijnlijk
doodgewone lekkere vent met ietwat afwijkende hairdo. Jemig. Ik dacht altijd dat
ik veel nadacht, maar dat valt bij nader inzien alleszins mee. Vergeleken met
Wijers wentel ik mij in zalige onwetendheid en cluelessness.
Over sommige dingen kun je maar beter niet nadenken, concludeer ik. Zeker niet
als het om taal gaat. Als je dat wel doet en je keert elke zin en elk woord
binnenste buiten, dan durf je daarna volgens mij niks meer te zeggen. Al geldt
dat niet helemaal voor Wijers geloof ik. Want terwijl hij zich op het podium nog
zat te verwonderen over mensen die voordehand liggende vragen stellen, zoals Heb
je 't kunnen vinden? wanneer ze bezoek verwelkomen (duuhh), vroeg hij mijn
vriendin na afloop van de show toen ze hem had gecomplimenteerd met zijn
optreden: Zaten jullie in de zaal?. Uhh.. nee Guido, we kwamen
toevallig even langs om je zomaar een veer in je reet te steken, over een show
die we niet gezien hebben(!)
Maar goed, ik was dus ziek. Eigenlijk nog steeds wel een beetje, maar vandaag
kon ik mezelf eindelijk uit m'n nest slepen om mijn huis wat te fatsoeneren.
Mijn kat vond dat een teken. Twee volle dagen was hij niet van mijn zijde
geweken en had hij me gezelschap gehouden op mijn ziekbed. Ja, zo is ie. Maar nu
ik weer op was, vond hij dat ie genoeg had gedaan. Kennelijk had ie tijd voor
zichzelf nodig. Nadat ik het huis had gezogen en had gedouched, riep ik 'm voor
een snack. Nou ja, en een knuffel. Hij kwam niet. Dat is verwonderlijk, want hij
luistert gewoonlijk goed. Dus rammelde ik maar even met wat brokjes. Nog steeds
geen spoor van Michael. Ik ging op onderzoek uit. Zijn nieuwste schuilplaats,
bovenop het hoogste keukenkastje, was leeg. Hij lag niet op de bank, niet in
z’n mandje, zat niet opgesloten in de wc en ook in de slaapkamer zag ik
nergens een hoopje zwart liggen. Ik keek achter het gordijn, onder het bed,
achter de bank, in mijn rommelkamer, in de badkamer. Niks. Ik had ondertussen al
zijn roepnamen al geprobeerd (Mike, Mok, Mokkie, Mokkel, Mokje), gefloten,
gesist en gerammeld, maar het mocht niet baten.
Toen zag ik dat het kiertje van mijn slaapkamerraam misschien wel net iets te
wijd was geweest. Hij zou toch niet…? Geschrokken keek ik uit het raam. Niets
op de richel en ook geen platgevallen kat op de stoep. Pff. Toch zou het zomaar
kunnen dat ie nu daar beneden ronddoolde, versuft van de sprong van tweehoog en
opgewonden omdat hij voor het eerst sinds twee jaar weer buiten was. In allerijl
liet ik mijn handdoek vallen en schoot ik in m’n kleren. Slippers aan, dan
maar geen make-up, brokjes mee en daar ging ik. Onderweg naar het trappenhuis
kwam ik langs de slaapkamer, waar ik nog één keer met het bakje rammelde en
nog één laatste blik naar binnen wierp. Vanuit het holletje tussen de
slaapbank en de matras keken plots twee lichtende schoteltjes mijn kant op. Op
z’n dooie gemakje wandelde Michael vervolgens uit zijn hol. Ik zag het
gebeuren. Toch vroeg ik boos, opgelucht en verrast: Waar was je nou??!
|